Liedteksten

Tekst en verduidelijkingen van het woordbeeldtoon-programma

Langs Kronkelwonderwegen

1. De kant van het weten

De cel der cellen

DSC08261

“Eindelijk vrij”, denkt de geslachtscel bij het vrijen der lijven en ontdoet zich van zijn drager (1).

DSC08263

 Al gauw ontmoet hij een andere gameet en voor even vervloeien ze.

DSC08264

Maar dan krabbelt een der oude lijven op, probeert het onderhand aan het delen geslagen samensmeltingsverband te herwinnen,

DSC08265

dat lukt…

DSC08266

en op het moment dat men temidden van het tumult een voorloper van de geslachtscel weer herkent, blijkt die omgeven door twee lichamen, te weten: het kind  en de moeder daaromheen.

DSC08268

Na negen maanden wordt de moeder afgeworpen

DSC08269 kopie

en voegt zich bij de vader in het afvalputje van de evolutie. 

DSC08271

En het kan nog decennia duren voordat het kind groot is, lief heeft,

DSC08261

zijn geslachtscel in stelling brengt en dat deze denkt:

“Eindelijk vrij! Toe maar: Vrij mij vrij! Heel de mens een truc van mij, voor mij, door mij, om mij, het eeuwig leven te schenken!

DSC08269

Tot zover het verhaal van de cel der cellen, maar de mens kan nog verder ontleed tot:

Het gen der genen

kijk goed3

Kijk goed

en je ziet een virus

aangekleed met wat toevallig goed uitpakt

zoals celorganellen en om zich heen niet te tellen zoveel cellen

allemaal ten dienste van een piepklein op doorbestaan (en niet om door te bestaan) geordend pakketje stof

want door te bestaan is alleen maar voldaan aan de voorwaarde niet te vergaan of steeds opnieuw te ontstaan

bedenk dus dat ons zijn op zich geen teken is van betekenis maar van de onmacht van het niet niet kunnen zijn

begrijp het dan, begrijp het dan er is geen plan alles is omdat het niet anders kan dan zijn en dat is fijn want het is heerlijk zonder Heer heerlijk zonder meer geloof nergens in en knutsel je eigen zin

heel de mens een paddestoel: ijdel doorgeefluik van een duister mycelium onstaan uit een kiem nooit bedoeld om kiem te zijn plan zonder plan (3): er is geen doel er is enkel achteraf

en dat is waardoor waarom waardoor is: het wezen laat zich enkel achteruit lezen in het schrift der gebeurtenissen en dat weer omgekeerd leert:

eens was er stof pas daarna was er leven en het duurde maar even of er was bewustzijn en toen kwam het bewustzijn dat zichzelf bewust kon zijn en daar kwam dan uiteindelijk weer dit liedje van: (da capo)

Tot zover het kille, koele, kale weten. Nu het wonder: het beleven. En zie hoe ze dissoneren. En hij zag dat het goed was, want waar weten zich naar believen naar beleven voegt, en beleven zich naar verwaten weten, is zelfbedrog het resultaat.

2. Binden door te scheiden

Op zoek naar Ada (4)

ik hou van iemand en ik weet ook wie ik hoop maar dat ze bestaat en dat onze plaats in ruimte en tijd ooit samenvallen mag

Ada, waar ben je Ada, ik ken je al zo lang kom uit je boom in Ardis en val (5) samen met mij

over al wat drog en drap is dom en krom, mist en mystificatie gewichtig, pose of vals is Ada, lucide Ada

laten we haarscherp een scheidslijn trekken tussen werkelijkheid van beleven en wat logischerwijze mogelijkerwijze werkelijkheid zou kunnen zijn

en die lijn steeds weer opnieuw op de helling is een lust en geen kwelling voor Ada en voor mij

want aan beide zijden is het heel goed toeven maar laat nooit de ene waarheid zich naar de andere voegen al spreken ze elkander tegen ze sluiten elkaar niet uit

de waarheid ligt nooit in het midden want in het midden gaapt de kloof en wij, in spagaat daarboven kijken neer en aanschouwen

ruimte

waarin vrijheid gedijt (6) ‘t is zo, want vrijheid huist in de dissonant

En zo zijn we via Ada aan de andere kant, in het beleven beland. En we dalen af:  reminiscenties, gewilde herinneringen, dromen, dagdromen, verbeelding en niet te vergeten de perceptie van een werkelijkheid buiten onszelf, ofwel beleven naar waarneming.

3. De kant van het beleven

De reminiscentie

laat me gaan laat me dwalen langs kronkelwonderwegen van ongebaand beleven

geleid, bevrijd, verblijd door reminiscenties

laat me, laat me je schaadt me scherp verstand bot verstand

De gewilde herinnering

Herinneringen, zo was zijn ervaring, verliezen na verloop van tijd detail, beweging en geluid, maar wat niet verloren gaat is de diepe gevoelsindruk van het moment van herinnering. Daarom sprak hij van:

fossielen van herinnering de beelden al vager en verstild de stemmen al verstomd maar haarscherp nog de indruk die ze maakten op mij

en onveranderd komen zij in de nacht aan mij voorbij de meisjes van voorbij voorbij aan mij

en hun ogen spreken zacht van iets dat niemand weet dan zij zo mooi… daar kan ik niet bij: de draagsters van het geheim dat ze zijn

wat zou er van ze over zijn de engeltjes van weleer niet dat er nu geen engeltjes zijn maar ze zeggen u ze zeggen nu meneer

en hun ogen spreken zacht van iets dat niemand weet dan zij zo mooi…(ik kan er nog steeds niet bij) zijn de meisjes van voorgoed voorbij voor mij

En het allereerste engeltje was Mieke, buurmeisje en kleutervriendinnetje. Ze zag eruit als een zigeunerinnetje, maar volgens hem was ze indiaan. Ze speelden veel paardje (de staart een sjaal). Met de jaren werd Mieke mooier en mooier en uiteindelijk onmogelijk mooi.

Mieke, dapper paardje met je wapperende warme donkere manen aan je stuitje danst je staartje: een blije wollen sjaal

en was je geen paardje, dan was je graag een jongen maar ei, eenmaal ontloken viel niet meer te verdonkeremanen dat je ‘t knapste meisje was van altijd en overal: mal van mijn mooi

en de jongens gonsden in kringetjes op brommers om je heen

en ikke… in de zoveelste kring ik keek, ik keek alleen

en zag ze zwiepstaartend elkaar verdringen in je zona pellucida

en ikke… ben loos geloosd in schand- doekjes en doucheputjes beland door dromen over vrouw overmand

maar niet over jou want zelfs in mijn dromen blijf je droom: een droom van een paardje onaanraakbaar mooi

En toen, bijna vijftig jaar later, kwam het duin, waarop hij kampeerde, opgelopen, een echte indiaan. Ze zette haar wigwam naast de zijne en elke dag bracht ze hem een klein stukje van de legpuzzel van haar bestaan. Een niet te benijden bestaan, want in haar jeugd (zijn Mieketijd) zat ze zonder ouders of andere kinderen ontvoerd in het oerwoud van Colombia. De enige plaats waar ze zich veilig voelde was hoog in een sinaasappelboom.

ze is van liefde verstoken (haar steun en toeverlaat hoe zuur, was een citrusboom) in het oerwoud ontloken

toch bleef ze ongeschonden want op eigen kracht (zij zegt de Zijne) heeft ze ware trouw en liefde in zichzelf (zij zegt in Hem) gevonden

zie wat ik niet kan en God vermag ieder uur van elke dag is Hij aan haar zij

en dàt ik niet geloof laat onverlet: Hij in haar heeft haar gered en zij weer redde mij

want

eens schreef ik in een lied: wat nu als dit het is als ware schoonheid waar bestaat maar enkel over andere schijven gaat en dat ik ’t voor altijd mis

welnu, nu wel heb ik van schoonheid geweten in iedere zin die een mens behoeft ik heb haar omvat, betast, geroken, geproefd en op een haar na zelfs gegeten

maar voor ik het wist was het voorbij en blijft het nu een vraag voor mij of al dat moois ooit wende

zo heb ik onverzadigd, maar ook zonder schuld of grief voor altijd het meisje lief dat ik kussend kende

De surimpression (8)

want

kussend kennen kan alleen kussend gekend kussend kennen kent geen geheugen kussend drinkt men met volle teugen van het klare nu, het onversneden moment

als pijn en geur is ook een zoen in herinnering niet zomaar op te duiken pijn moet je eerst weer voelen, geur moet je ruiken en een zoen moet je doen

kussend was er geen taal, geen beschouwen, geen tijd: geen verleden om te berouwen geen toekomst om te vrezen

zo leerde ik al kussend en kussend pas van het meisje dat ze is en altijd al was trof ik, en trof mij, kussend haar wezen

De droom

de dize lûkt oer it lân en stiltme folt de loft noch efkes dan hâld it ferstân op ‘e nei har deistich skoft

foarby is dan de treast en yn it tsjuster fan de nacht út it skimer fan de geast grypt it fjillen wer de macht

(vertaling: De nevel trekt over het land en stilte vult de lucht. Nog even dan houdt het verstand opnieuw haar dagelijkse pauze. Voorbij is dan de troost en in het duister van de nacht, uit het schemer van de geest, grijpt het voelen weer de macht.)

Hij droomde eens dat iemand hem wou uitleggen wat schoonheid was. Hij pakte een laken, spreidde het uit, wees op een plooi en zei: “Kijk, het laat zich niet afdwingen. Daardoor is een plooi zo mooi”.

skientme is in ploaike in ploaike sa tear

skientme is in ploaike yn it lekken dat krekt mei in swierige bôge útspraad is

sa tear, sa tear, sa tear

De dagdroom

Zijn hele leven had-i gedroomd. Alleen in dromen had-i geleefd. En nu, nu dacht-i:

wat nu als de droom nooit uitkomt wat nu als dit het is

als ik nooit, nee nooit wordt wat ik had willen zijn onontwikkeld tot in de dood

als ware schoonheid waar bestaat maar enkel over andere schijven gaat

als ik een echte Ada nooit tegenkom mijn Ada voor altijd mis

dan nog… ben ik blij met wat nooit uitgekomen is: een hele mooie droom

De verbeelding

Dit is het verhaal van Sjoerd.

Sjoerd is een friese strontschipper. Hij vaart met zijn schip langs de huizen en haalt daar volle  “húsketonnen”  (wc-tonnen) op. Op dit moment zit Sjoerd in zijn boot en is op weg naar het laatste adres van die dag:

de kleine gekliefde golfjes klotsen tegen het schip en kabbelen hun lied

de ondergaande zon zinkend naar de nacht maakt van het zacht rimpelend watervlak een flonkerende pracht

van vrede vervuld en met eindeloos geduld houdt hij in de ene hand het roer en in de andere roerloos het schotetouw

maar ook dat is schone schijn die donkere diepten verhult want van binnen kent hij helemaal geen rust: daar kan het brandende verlangen naar een vrouw zelfs met zoveel water niet geblust

en weer denkt hij aan de meisjes die flaneerden op de kade:

heldere lichtjes, lieve gezichtjes paraderend op het trottoir als trotse kooplieden vragen ze te bieden op hun verrukkelijke waar

die zorgzaam verpakt is, doch niet verborgen snel in handen van een man met takt is maar voor wie niet handelen kan (zoals Sjoerd) een bron van diepe zorgen

even ging Sjoerds hart sneller kloppen maar dan denkt hij:

ach alle minsken binne lyk foar my: allegear skiters

hij gaat door en laat de hoop verder varen

daar is zijn laatste adres al hij legt aan hij belt aan

hij belt nog een keer de deur gaat open… en daar

staat Sjoerd oog in oog met het oogverblindend mooie meisje Skientme

van de stoere Sjoerd is niets meer over hij smelt ter plaatse

hij raapt zijn moed bijeen schraapt zijn keel en zegt:

“uhm…, ik kom skyt heljen” “nee”, zegt zij “ik hjit net fan Skyt, ik hjit fan Skientme” (ik heet geen Schijt, ik heet Schoonheid)

en ze valt hem om de hals en stamelt in zijn armen:

alle dagen binne lyk foar my want ik lang dei nei dei nei dy (alle dagen zijn voor mij gelijk, want ik verlang dag na dag naar jou)

en Sjoerd die niet weet wat hem overkomt

fluistert in haar oor wat hij even tevoor ook al zei:

alle minsken binne lyk foar my mar wier… net ien is lyk as dy (alle mensen zijn voor mij gelijk, maar waarlijk niemand is zoals jij)

het geluk is kompleet en ze zegt: “wêr lizze jo mei it skipke? asjebleaft, nim my mei”

en zo neemt ze afscheid van de hond, van de kat en tenslotte van haar vader

maar…, heit is lulk (vader is boos) hij stuurt haar de kamer uit en vaart uit tegen Sjoerd

 en hij eindigt met de woorden: “pak de húsketonne en smear `m mei de smoargens

“skyt” denkt Sjoerd en doet wat hem gezegd wordt

 diep bedroefd keert hij terug naar zijn schip en zet af

en in het kabbelen van de golven hoort hij in gedachten nog steeds haar stem…

gekweld door zijn verbeelding legt hij ten einde raad zijn schip stil om de golfjes niet meer te horen, maar…

het mag niet baten hij blijft haar horen en dat kan maar één ding betekenen…

op z`n gehoor gaat hij op zoek naar de bron van deze zoete tonen

het geluid wordt steeds sterker… hij blijft staan voor een ton tilt het deksel op…

en daar steekt het hoofd van Skientme uit boven de inhoud van de ton

de bescheten schoonheid veegt zich wat stront uit de ogen en omhelst haar minnaar

“froulju” denkt Sjoerd “is moai guod  mar as je der op skite dan stjonkt it” (en dat vertaal ik niet)

en een frisse wind van prille liefde wakkert aan tot een storm van onstuimige hartstocht en golven van geluk overspoelen het besmeurde paar

gierend gooit een genadeloze storm hen van verlangen in verrukking en terug de stoten onstuimig en steeds sterker

maar daar is de reddende vlaag in hun rug die hen brengen zal

naar waar men samen enkel in dromen komen kan

De waarneming

Aan de andere kant van de wereld, in het verre China, liep een klein meisje het lange eind naar haar vaders kamp. Die was al intellectueel tijdens de grote sprong voorwaarts en de culturele revolutie gebombardeerd tot vijand van het volk. Hij noemde haar ‘mijn kristal’ en mijn ‘zonneschijn’. En zij…, zij keek naar haar schaduw en las hoe laat het was…

klein chineesje praktisch weesje op je lange mars naar je vaders kamp

volg je beentjes je schaduwbeentjes en als ze op hun kortst zijn dan moet je weer gaan

en eens zul jij op eigen benen sterker dan de leugen staan, omdat jij het spel van licht en schaduw ziet en licht en schaduw liegen niet

klein chineesje met je kristalhelder geestje wees je vaders zonneschijn

en oefen je ogen je mooie droeve ogen laat je ogen hoger dan je handen zijn

en eens zul jij met eigen ogen de kleren van de keizer zien jij kunt ons het kijken leren want wie het niet zien van niets ziet

kan oog voor anderen zijn

En na de culturele revolutie werd ze uit duizenden gekozen voor de eerste lichting studenten westerse schilderstijl. Na ettelijke malen Noord Korea te hebben afgewezen werd ze uitgewisseld naar Nederland.  Zo komt het dat haar schaduw tot hier reikt. En tot ver over mij…

groot chineesje wees mijn oog, maak mij vrij dochter van de vijand van het volk de grootste sprong voorwaarts

dat ben jij

“Anne”, klonk het vanuit het kinderzitje achter op de fiets, “Anne, wat wil jij later worden?” En even daarna zei Aye: “Kijk Anne, hoor je die muziek daar hoog van die steiger komen: van die muziek, van dat liedje, wil ik later de zanger worden”.

En nu, na zoveel jaren weet ook ik wat ik wil worden: kijk, zie je dat meisje poseren voor de grote chinees: van dat meisje, van die hemelse verschijning, wil ik later de schilder zijn.

Ada gevonden

ik weet nu dat ze bestaat en dat onze plaats wel in ruimte, maar in tijd nooit samenvallen zal

Ada daar ben je Ada in asyngamie (7)

want als we haar scherp een scheidslijn trekken tussen werkelijkheid van beleven en wat logischerwijze mogelijkerwijze werkelijkheid zou kunnen zijn

dan loopt die lijn tussen wat ik me droom en wat er ooit zal kunnen zijn tussen Ada en mij

Maar er is troost, en die troost is dat het nu duidelijk is dat er klaarblijkelijk een werkelijkheid bestaat, die mooier is, die verder reikt dan ons voorstellingsvermogen vermag. Het bewijs vinden we op straat:

stad, jij geeft mij zoveel te zien mooier dan ik bedenken kan

want kijk maar wat daar over straat gaat ik ben zo blij dat het bestaat

stad, jij geeft mij zoveel te zien: mijn grens, mijn Groningen

want kijk maar wie daar over straat gaat ik ben zo blij dat het bestaat:

mooier dan ik bedenken kan

want

bij toeval passante die stem en naam ontbeert niet meer dan een glimp vaak en toch passeert:

mijn geluk en mijn lijden mijn troost, mijn verdriet mijn zoeken, mijn mijden mijn zwijgen…, dit lied

Dat alles enkel en alleen door te zien. Nabokov zei het zo:

“Het enige geluk in deze wereld ligt in waarnemen, spioneren,kijken, jezelf en anderen gadeslaan. Niets anders zijn dan een groot, enigszins glazig, licht bloeddoorlopen, starend oog”.

Maar dat oog moet gepositioneerd, moet een oog op pootjes zijn, steeds op zoek naar tafereel. Dus dag droom, dag Proust…

ik wil de wereld doortrekken recht doen aan de droom niet meer mijzelf onttrekken

maar door schoonheid te ontfutselen en weer te geven in woord, beeld en toon toon ik mij vrij

neemt de kameleon ieders kleur aan zo niet ik, ik kleur de wereld door me niet te schikken naar maar te schikken met

ik mag de wereld doortrekken met eigen kleur en geur niet meer de wereld ontduiken maar vullen met eigen geluid

en zacht zing ik mij eindelijk vrij

noten:

(1) Niet de mens de mens scheidt geslachtscellen af, maar geslachtscellen scheiden mensen af. Het lijkt alsof de mens geslachtscellen produceert, maar in wezen vormen geslachtscellen lichamen om zich heen en werpen die ook weer af (We spreken van eisprong, maar het is eierstokverlies. We spreken van zaadlozing, maar het balverlies). Het lichaam is een tijdelijk omhulsel dat dient om de geslachtscel te hoeden en op zijn tijd in stelling te brengen.

Steeds weer is de geslachtscel even alleen. En in die korte blote, of beter gezegd, verhuld onomhulde periode (want in lichaamsholten aan het oog ontrokken) gaat de geslachtscel  indien zich daartoe de gelegenheid voordoet, een verband aan met een ongeveer gelijktijdig vrijgekomen lotgenoot van geslachtelijk verschillende huize.

Korte tijd verkeert de geslachtscel dan in een vorm die niet van  andere (door onmiddellijke vermenigvuldiging van het samensmeltingsverband ontstane) lichaamscellen te onderscheiden is. Maar na twee weken duikt temidden van die cellen een voorloper van de geslachtscel alweer op en in een wel heel bijzondere constellatie: Omhult door twee lichamen, te weten het kind en de moeder van het kind.

Binnen negen maanden wordt de moeder definitief afgeworpen en het kan nog tientallen jaren duren voor de geslachtscel, door eisprong of zaadlozing, zich ook van het kind ontdoet. Even is de geslachtscel dan weer onomhuld, maar de geschiedenis herhaalt zich en zo laat de hier geschetste geslachtscelcyclus een spoor van afgeworpen lichamen achter: Aardse tabernakels, die niet de tijdelijke dragers zijn van de geest (want die ontstaat uit hen en gaat met hen ten onder), maar de sterfelijke hoeders van de voortlevende geslachtscel.

Deze gedachtegang kan op twee wijzen worden gestaafd:

1. Het utilitaristisch principe:  Over nut en wezen

Al wat voorwaardescheppend is kan zelf niet wezenlijk zijn, maar verwijst wel wezenlijk naar het wezenlijke: We hoeven enkel het traject van achtereenvolgende diensten (het spoor van “dienstbaar aan”) nauwgezet te volgen om uit te komen bij dat wat wezenlijk is.

In het menselijk lichaam is het een baaierd aan diensten. Aan elk type cel kan een functie worden toegeschreven en altijd zal dat een functie zijn ten dienste van andere cellen in datzelfde lichaam. De enige uitzondering hierop vormt de geslachtscel. De geslachtscel heeft namelijk geen enkele functie voor enig andere cel in het lichaam. Andersom kan men wel zeggen dat iedere cel binnen het lichaam (en daarmee het hele lichaam zelf) dienstbaar is aan de geslachtscel.

Als vervolgens dat wat dienstbaar is als niet wezenlijk ter zijde  wordt geschoven, dringt zich het beeld op van een geslachtscel met een ingenieus en complex, in de loop der tijd gegroeid (want verdienstelijk gebleken) omhulsel, dat als enige en door de geslachtscel zelf georganiseerde taak heeft, deze te koesteren en op zijn tijd in stelling te brengen.

(2)  Nog zijn we niet aan het einde van het utiliteitstraject, want ook binnen de geslachtscel wemelt het van de diensten. En als ook hier alle dienende organellen en strukturen worden weggestreept houden we iets over wat wel heel erg op een virus lijkt: Een klein pakketje stof met een ordening die ordeningspotentie heeft: het DNA.

(Onze verwantschap met virussen krijgt zelfs heel familiaire trekken als we bedenken dat een groot deel van het menselijk DNA bestaat uit, al dan niet werkzaam, ooit geïnvadeerd virus-DNA).

En we kunnen nog verder minder ver:

De functionele eenheid van het DNA-molecuul is het gen. De vraag dringt zich op: Wat nu is in navolging van de cel der cellen en het organel der organellen, het gen der genen?

In het licht van het voorgaande is het aanlokkelijk om het gen aan te wijzen dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van een nieuw pakket DNA. Noem het het replicatiegen. Zoals de geslachtscel geen functie heeft voor enig andere cel in hetzelfde lichaam, zo heeft het replicatiegen geen functie voor enig ander gen in hetzelfde DNA.

Het probleem is echter dat in een zo ver geëvolueerde vorm, al lang niet meer gesproken kan worden van één gen dat de replicatie regelt. Beter is het te spreken van die genen die een functie hebben in het celcyclus-regulatiesysteem.

Dat zijn de genen die coderen voor de eiwitten die actief zijn bij het repliceren, tezamen met de genen die coderen voor de eiwitten die eerstgenoemde genen activeren en natuurlijk op hun beurt weer de genen die coderen voor de eiwitten die die genen weer activeren en ga zo maar door. Alles wat regelt wordt geregeld, met andere woorden: Alles regelt alles.

Het lijkt een verhaal zonder einde, maar dat is het niet. Ergens bijt de slang in zijn eigen staart: de cel is immers eindig in de ruimte.

Hoe complex het celcyclus-regulatiesysteem ook is (er is nog met geen woord over een even ingenieus remmend systeem gerept), het principe blijft hetzelfde: iets (van louter materie) regelt de replicatie van zichzelf. En dat nu, is het gemeenschappelijke wezen van virus en mens. Verwonderlijk is dat allerminst, omdat in een wereld vol van mogelijkheden van vergaan, opnieuw ontstaan de enige duurzame wijze van zijn kan zijn. Voor dat weten over het wezen hebben we in wezen geen weten nodig.

2. Het etiologisch principe:  De nu-doordat causaliteit

Alles is, doordat het is geworden. Het terugbladeren in die wordingsgeschiedenis kan relevante inzichten bieden over het wezen der dingen. Teruglezend in de geschiedenis van het leven zien we steeds minder complexe vormen. Het kan niet anders of het eencellige ging aan het meercellige vooraf, de aneuralia aan de neuralia, het niet beleven aan de mogelijkheid tot beleven en haploied aan diploied. Wat het eerst is maakt in een niet geïntentioneerd systeem de meeste aanspraak op wezenlijk te zijn. Godzijdank heeft de nu-doordat causaliteit een convergerend karakter. Dat kan van de als-dan causaliteit niet altijd gezegd worden.

(3)  Fylogenie versus ontogenie.

Waar de ontogenie (de ontwikkeling van bevruchting tot volwassen organisme) doortrokken is van in DNA uitgeschreven plan, is de fylogenie (de ontwikkeling van de soorten) gespeend van iedere bedoeling. Het is het verhaal van de evolutie, van gissen en missen. Evolutie is geen principe, het is het ontbreken daarvan.

Toch is het ontogenetische plan langs fylogenetische en dus niet planmatige weg ontstaan. Het is dus een plan zonder plan.

Als we behoefte aan zin hebben, zullen we die zelf moeten maken. Alleen in die zin is de term zingeving zinvol.

(4) Bij “Ada”

“Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze”. Leo Nicolaj Tolstoi, openingszin Anna Karenina

 “Alle gelukkige gezinnen verschillen min of meer van elkaar; alle ongelukkige zijn min of meer eender”. Vladimir Nabokov, openingszin Ada

“Somebody loves me. I wonder who”. Ballard Macdonald en Buddy DeSylva, openingszin Somebody loves me

“Ik hou van iemand en ik weet ook wie”. Anne Ruurd, openingszin Op zoek naar Ada

Ada is een van de hoofdpersonen uit de gelijknamige roman van Vladimir Nabokov. Het is een uiterst lucide schoonheid die voor mij, naïeve en argeloze lezer, door de kwaliteiten van Nabokovs pen ogenblikkelijk tot lichtend ideaal werd verheven.

(5) Ada en haar geliefde (Van) hebben voor het eerst intiem contact tijdens een korte val door de takkenwirwar van de favoriete klimboom van Ada op het landgoed “Ardis”.

(6) Over vrijheid en dissonant:

Wie zoekt, wie werkelijk zoekt, zal niets hoogs, niets verhevens, niets dieps vinden. Het wezen, zo leert ons iedere wordingsgeschiedenis (zoals we in “De kant van het weten” zagen), is plat.

Hoe rijk daarentegen is het (op doelloze wijze geworden) niet-wezenlijke: Het menselijk bewustzijn: Een beleving van een werkelijkheid van beleven, groots en meeslepend.

Het valt als een vorm van vrijheid te beleven dat het bewustzijn (dat niet wij hebben, maar dat ons heeft, immers ons zelfbesef is het product van het bewustzijn en niet andersom) in staat blijkt zichzelf als niet-wezenlijk te kwalificeren. En dat het daarnaast  het wezenlijke (het mogelijkerwijs logischerwijze ware, ofwel de uitkomst van correct wetenschappelijke benadering) van het niet-wezenlijke (de beleving) weet te scheiden in de zin van het besef dat het wezenlijke niets afdoet aan het niet-wezenlijke en het niet-wezenlijke niets aan het wezenlijke (al spreken ze elkander tegen, ze sluiten elkaar niet uit).

Waar de wetenschappelijke weg principieel onvrij is door een ijzeren protocol van logica en methodologie, is ook de beleving in essentie onvrij: Tot niets van wat we mooi vinden, of lief, of lekker, hebben we ooit besloten. Wie zegt vrij te zijn geeft blijk van het tegendeel van wat hij beweert.

De enige glimp van vrijheid is gelegen in de tegenspraak tussen wetenschap en beleven. Een tegenspraak die ons in ieder geval vrijwaardt van onvrije eenduidigheid.

Genoemde vorm van vrijheid is een vorm van vrijheidsbeleving, niet te verwarren met vrijheid van beleven, of het in vrijheid beleven:

Beleven van vrijheid

 Het beleven van vrijheid is een persoonlijk ervaringsfenomeen, dat voor ieder apart, op geheel eigen wijze, aan volstrekt verschillende gewaarwordingen gekoppeld kan zijn: Voor de een bijvoorbeeld aan de consonant (het harmoniëren), voor de ander (Ada en mij) aan de dissonant.

Vrijheid van beleven

 Vrijheid van beleven daarentegen, zoals we al zagen, bestaat eenvoudig niet. De aard van alle beleven overkomt ons. Er is dus ook geen vrijheid van beleven van vrijheid.

In vrijheid beleven

 Wel kunnen we in vrijheid beleven: Ieder die musiceert, schrijft, danst of beeldend vormgeeft zal weten, of zou moeten weten, dat er in ieder mens een wereld van natuurlijke impuls schuilgaat, die zich pas lijkt te kunnen openbaren, wanneer de ruis van valse spanning, hinderlijke stemming, misleidend weten en onnodige reflectie, door eigen toedoen (het doen een laten) wordt geloosd. Uitdrukking geven aan die impuls heet kunst. En al het andere is een kunstje.

Zo kan het beleven van vrijheid bestaan uit het in vrijheid beleven dat vrijheid van beleven niet bestaat.

(7) Asyngamie: Botanica: De onmogelijkheid tot kruizen door verschil in bloeiperiode.