Liedteksten

Tekst en verduidelijkingen
van het woordbeeldtoon-programma

Langs Kronkelwonderwegen

 

1. De kant van het weten

De cel der cellen

DSC08261

“Eindelijk vrij”, denkt de geslachtscel bij het vrijen der lijven en ontdoet zich van zijn drager (1).

DSC08263

 Al gauw ontmoet hij een andere gameet en voor even vervloeien ze.

DSC08264

Maar dan krabbelt een der oude lijven op, probeert het samensmeltingsverband te herwinnen,

DSC08265

dat lukt…

DSC08266

en op het moment dat de geslachtscel zichzelf hervindt, blijkt hij omgeven door twee lichamen, te weten: het kind (uit hem en de ander ontstaan) en de moeder daaromheen.

DSC08268

Na negen maanden wordt de moeder afgeworpen

DSC08269 kopie

en voegt zich bij de vader in het afvalputje van de evolutie. 

DSC08271

En het kan nog decennia duren voordat het kind groot is, lief heeft,

DSC08261

zijn geslachtscel in stelling brengt en dat deze denkt:

“Eindelijk vrij!
Toe maar: Vrij mij vrij!
Heel de mens een truc
van mij, voor mij, door mij, om mij,
het eeuwig leven te schenken!

DSC08269

 

Tot zover het verhaal van de cel der cellen, maar de mens kan nog verder ontleed tot:

 

Het gen der genen

kijk goed3

Kijk goed

en je ziet
een virus

aangekleed
met wat toevallig
goed uitpakt

zoals celorganellen
en om zich heen
niet te tellen
zoveel cellen

allemaal ten dienste van 
een piepklein op doorbestaan
(en niet om door te bestaan)
geordend pakketje
stof

want
door te bestaan
is alleen maar voldaan
aan de voorwaarde
niet te vergaan
of steeds opnieuw te ontstaan

bedenk dus
dat ons zijn op zich
geen teken is
van betekenis
maar van de onmacht
van het niet
niet kunnen zijn

begrijp het dan, begrijp het dan
er is geen plan
alles is omdat het niet anders kan dan zijn
en dat is fijn
want het is heerlijk zonder Heer
heerlijk zonder meer
geloof nergens in
en knutsel je eigen zin

heel de mens
een paddestoel:
ijdel doorgeefluik
van een duister mycelium
onstaan uit een kiem
nooit bedoeld om kiem te zijn
plan zonder plan (3):
er is geen doel
er is enkel achteraf

en dat is waardoor
waarom waardoor is:
het wezen
laat zich enkel
achteruit lezen
in het schrift
der gebeurtenissen
en dat weer
omgekeerd
leert:

eens
was er stof
pas daarna
was er leven
en het duurde maar even
of er was bewustzijn
en toen kwam het bewustzijn
dat zichzelf bewust kon zijn
en daar kwam dan
uiteindelijk weer
dit liedje van:
 (da capo)

Stof

Niets dan niets:

Als men alle kernen van alle atomen van de hele wereld aaneen zou smeden,
zou de aarde een knikker zijn.
En als alle quarks in die kernen hetzelfde deden,
was de aarde onzichtbaar klein.

Alles is niets.

Tot zover het kille, koele, kale weten. Nu iets veel belangrijkers: het beleven. En zie hoe ze dissoneren. En hij zag dat het goed was, want waar weten zich naar believen naar beleven voegt, en beleven zich naar verwaten weten, is zelfbedrog het resultaat.

2. Binden door te scheiden

Op zoek naar Ada (4)

ik hou van iemand en ik weet ook wie
ik hoop maar dat ze bestaat
en dat onze plaats in ruimte en tijd
ooit samenvallen mag

Ada, waar ben je
Ada, ik ken je al zo lang
kom uit je boom in Ardis en val (5)
samen met mij

over al wat drog en drap is
dom en krom, mist en mystificatie
gewichtig, pose of vals is
Ada, lucide Ada

laten we haarscherp een scheidslijn trekken
tussen werkelijkheid van beleven
en wat logischerwijze mogelijkerwijze
werkelijkheid zou kunnen zijn

en die lijn steeds weer
opnieuw op de helling
is een lust en geen kwelling
voor Ada en voor mij

want aan beide zijden is het heel goed toeven
maar laat nooit de ene waarheid zich naar de andere voegen
al spreken ze elkander tegen
ze sluiten elkaar niet uit

de waarheid ligt nooit in het midden
want in het midden gaapt de kloof
en wij, in spagaat daarboven
kijken neer en aanschouwen

 

 

ruimte

 

 

waarin vrijheid gedijt (6)
‘t is zo, want
vrijheid huist
in de dissonant

En zo zijn we via Ada aan de andere kant, in het beleven beland. En we dalen af: 
reminiscenties, gewilde herinneringen, dromen, dagdromen, verbeelding en niet te vergeten de perceptie van een werkelijkheid buiten onszelf, ofwel beleven naar waarneming.

3. De kant van het beleven

De reminiscentie

laat me gaan
laat me dwalen
langs kronkelwonderwegen
van ongebaand beleven

geleid, bevrijd, verblijd door reminiscenties

laat me, laat me
je schaadt me 
scherp verstand
bot verstand

De gewilde herinnering

Herinneringen, zo was zijn ervaring, verliezen na verloop van tijd detail, beweging en geluid, maar wat niet verloren gaat is de diepe gevoelsindruk van het moment van herinnering. Daarom sprak hij van:

fossielen van herinnering
de beelden al vager en verstild
de stemmen al verstomd
maar haarscherp nog
de indruk
die ze maakten
op mij

en onveranderd
komen zij
in de nacht
aan mij voorbij
de meisjes van voorbij
voorbij
aan mij

en hun ogen spreken zacht
van iets dat niemand weet dan zij
zo mooi…
daar kan ik niet bij:
de draagsters
van het geheim
dat ze zijn

wat zou er van ze over zijn
de engeltjes van weleer
niet dat er nu
geen engeltjes zijn
maar ze zeggen u
ze zeggen nu
meneer

en hun ogen spreken zacht
van iets dat niemand weet dan zij
zo mooi…(ik kan er nog steeds niet bij)
zijn de meisjes
van voorgoed
voorbij
voor mij

En het allereerste engeltje was Mieke, buurmeisje en kleutervriendinnetje. 
Ze zag eruit als een zigeunerinnetje, maar volgens hem was ze indiaan. Ze speelden veel paardje (de staart een sjaal). Met de jaren werd Mieke mooier en mooier en uiteindelijk onmogelijk mooi.

Mieke, dapper paardje
met je wapperende warme donkere manen
aan je stuitje danst je staartje:
een blije wollen sjaal

en was je geen paardje, dan was je graag een jongen
maar ei, eenmaal ontloken viel niet meer te verdonkeremanen
dat je ‘t knapste meisje was van altijd en overal:
mal van mijn mooi

en de jongens
gonsden in kringetjes
op brommers
om je heen

en ikke…
in de zoveelste kring
ik keek, ik keek
alleen

en zag ze
zwiepstaartend
elkaar verdringen
in je zona pellucida

en ikke…
ben loos geloosd in schand-
doekjes en doucheputjes beland
door dromen over vrouw overmand

maar niet over jou
want zelfs in mijn dromen blijf je droom:
een droom van een paardje
onaanraakbaar mooi

En toen, bijna vijftig jaar later, kwam het duin, waarop hij kampeerde, opgelopen, een echte indiaan. 
Ze zette haar wigwam naast de zijne en elke dag bracht ze hem een klein stukje van de legpuzzel van haar bestaan. 
Een niet te benijden bestaan, want in haar jeugd (zijn Mieketijd) zat ze zonder ouders of andere kinderen ontvoerd in het oerwoud van Colombia.
De enige plaats waar ze zich veilig voelde was hoog in een sinaasappelboom.


ze is van liefde verstoken
(haar steun en toeverlaat
hoe zuur, was een citrusboom)
in het oerwoud ontloken

toch bleef ze ongeschonden
want op eigen kracht (zij zegt de Zijne)
heeft ze ware trouw en liefde
in zichzelf (zij zegt in Hem) gevonden

zie wat ik niet kan en God vermag
ieder uur van elke dag
is Hij aan haar zij

en dàt ik niet geloof laat onverlet:
Hij in haar heeft haar gered
en zij weer redde mij 

want

eens schreef ik in een lied: wat nu als dit het is
als ware schoonheid waar bestaat
maar enkel over andere schijven gaat
en dat ik ’t voor altijd mis

welnu, nu wel heb ik van schoonheid geweten
in iedere zin die een mens behoeft
ik heb haar omvat, betast, geroken, geproefd
en op een haar na zelfs gegeten

maar voor ik het wist was het voorbij
en blijft het nu een vraag voor mij
of al dat moois ooit wende

zo heb ik onverzadigd, maar ook zonder schuld of grief
voor altijd het meisje lief
dat ik kussend kende

De surimpression (8)

want

kussend kennen kan alleen kussend gekend
kussend kennen kent geen geheugen
kussend drinkt men met volle teugen
van het klare nu, het onversneden moment

als pijn en geur is ook een zoen
in herinnering niet zomaar op te duiken
pijn moet je eerst weer voelen, geur moet je ruiken
en een zoen moet je doen

kussend was er geen taal, geen beschouwen, geen tijd:
geen verleden om te berouwen
geen toekomst om te vrezen

zo leerde ik al kussend en kussend pas
van het meisje dat ze is en altijd al was
trof ik, en trof mij, kussend haar wezen

De droom

de dize lûkt oer it lân
en stiltme folt de loft
noch efkes dan hâld it ferstân
op ‘e nei har deistich skoft

foarby is dan de treast
en yn it tsjuster fan de nacht
út it skimer fan de geast
grypt it fjillen wer de macht

(vertaling: De nevel trekt over het land en stilte vult de lucht. Nog even dan houdt het verstand opnieuw haar dagelijkse pauze. Voorbij is dan de troost en in het duister van de nacht, uit het schemer van de geest, grijpt het voelen weer de macht.)


Hij droomde eens 
dat iemand hem wou uitleggen wat schoonheid was. Hij pakte een laken, spreidde het uit, wees op een plooi en zei: “Kijk, het laat zich niet afdwingen. Daardoor is een plooi zo mooi”.

skientme is in ploaike
in ploaike sa tear

skientme is in ploaike
yn it lekken dat krekt
mei in swierige bôge
útspraad is

sa tear, sa tear, sa tear

De dagdroom

Zijn hele leven had-i gedroomd. Alleen in dromen had-i geleefd. En nu, nu dacht-i:

wat nu
als de droom nooit uitkomt
wat nu
als dit het is

als ik nooit, nee nooit
wordt wat ik had willen zijn
onontwikkeld
tot in de dood

als ware schoonheid
waar bestaat
maar enkel
over andere schijven gaat

als ik een echte Ada
nooit tegenkom
mijn Ada 
voor altijd mis

dan nog…
ben ik blij
met wat nooit uitgekomen is:
een hele mooie droom

De verbeelding

Dit is het verhaal van Sjoerd.

Sjoerd is een friese strontschipper. Hij vaart met zijn schip langs de huizen en haalt daar volle  “húsketonnen”  (wc-tonnen) op. Op dit moment zit Sjoerd in zijn boot en is op weg naar het laatste adres van die dag:

de kleine gekliefde golfjes
klotsen tegen het schip
en kabbelen hun lied

de ondergaande zon
zinkend naar de nacht
maakt van het zacht rimpelend watervlak
een flonkerende pracht

van vrede vervuld
en met eindeloos geduld
houdt hij in de ene hand het roer
en in de andere roerloos het schotetouw

maar ook dat is schone schijn die donkere diepten verhult
want van binnen kent hij helemaal geen rust:
daar kan het brandende verlangen naar een vrouw
zelfs met zoveel water niet geblust

en weer denkt hij
aan de meisjes
die flaneerden op de kade:

heldere lichtjes, lieve gezichtjes
paraderend op het trottoir
als trotse kooplieden vragen ze te bieden
op hun verrukkelijke waar

die zorgzaam verpakt is, doch niet verborgen
snel in handen van een man met takt is
maar voor wie niet handelen kan (zoals Sjoerd)
een bron van diepe zorgen

even
ging Sjoerds hart sneller kloppen
maar dan denkt hij:

ach
alle minsken
binne lyk foar my:
allegear skiters

hij gaat door
en laat de hoop
verder varen

daar is zijn laatste adres al
hij legt aan
hij belt aan

hij belt nog een keer
de deur gaat open…
en daar

staat Sjoerd oog in oog
met het oogverblindend mooie meisje
Skientme

van de stoere Sjoerd
is niets meer over
hij smelt ter plaatse

hij raapt zijn moed bijeen
schraapt zijn keel
en zegt:

“uhm…, ik kom skyt heljen”
“nee”, zegt zij
“ik hjit net fan Skyt, ik hjit fan Skientme”
(ik heet geen Schijt, ik heet Schoonheid)

en ze valt hem om de hals
en stamelt
in zijn armen:

alle dagen
binne lyk foar my
want ik lang
dei nei dei nei dy
(alle dagen zijn voor mij gelijk,
want ik verlang dag na dag naar jou)

en Sjoerd
die niet weet
wat hem overkomt

fluistert in haar oor
wat hij even tevoor
ook al zei:

alle minsken
binne lyk foar my
mar wier…
net ien is lyk as dy
(alle mensen zijn voor mij gelijk,
maar waarlijk niemand is zoals jij)

het geluk is kompleet
en ze zegt: “wêr lizze jo mei it skipke?
asjebleaft, nim my mei”

en zo neemt ze afscheid
van de hond, van de kat
en tenslotte van haar vader

maar…, heit is lulk (vader is boos)
hij stuurt haar de kamer uit
en vaart uit tegen Sjoerd

 en hij eindigt met de woorden:
“pak de húsketonne
en smear `m mei de smoargens

“skyt”
denkt Sjoerd
en doet wat hem gezegd wordt

 diep bedroefd
keert hij terug naar zijn schip
en zet af

en in het kabbelen van de golven
hoort hij in gedachten
nog steeds haar stem…

gekweld door zijn verbeelding
legt hij ten einde raad zijn schip stil
om de golfjes niet meer te horen, maar…

het mag niet baten
hij blijft haar horen
en dat kan maar één ding betekenen…

op z`n gehoor
gaat hij op zoek
naar de bron van deze zoete tonen

het geluid wordt steeds sterker…
hij blijft staan voor een ton
tilt het deksel op…

en daar
steekt het hoofd van Skientme
uit boven de inhoud van de ton

de bescheten schoonheid
veegt zich wat stront uit de ogen
en omhelst haar minnaar

“froulju” denkt Sjoerd
“is moai guod
 mar as je der op skite dan stjonkt it”
(en dat vertaal ik niet)

en een frisse wind van prille liefde
wakkert aan tot een storm van onstuimige hartstocht
en golven van geluk
overspoelen het besmeurde paar

gierend gooit een genadeloze storm
hen van verlangen in verrukking
en terug
de stoten onstuimig en steeds sterker

maar daar
is de reddende vlaag
in hun rug
die hen brengen zal

naar waar
men samen
enkel in dromen
komen kan

 

De waarneming

Aan de andere kant van de wereld, in het verre China, liep een klein meisje het lange eind naar haar vaders kamp. Die was al intellectueel tijdens de culturele revolutie gebombardeerd tot vijand van het volk.
Hij noemde haar ‘mijn kristal’ en mijn ‘zonneschijn’. En zij…, zij keek naar haar schaduw en las hoe laat het was…

klein chineesje
praktisch weesje
op je lange mars
naar je vaders kamp

volg je beentjes
je schaduwbeentjes
en als ze op hun kortst zijn
dan moet je weer gaan

en eens zul jij op eigen benen
sterker dan de leugen staan, omdat jij
het spel van licht en schaduw ziet
en licht en schaduw liegen niet

klein chineesje
met je kristalhelder geestje
wees je vaders
zonneschijn

en oefen je ogen
je mooie droeve ogen
laat je ogen hoger
dan je handen zijn

en eens zul jij met eigen ogen
de kleren van de keizer zien
jij kunt ons het kijken leren
want wie het niet zien van niets ziet 

kan oog voor anderen zijn

En na de culturele revolutie werd ze uit duizenden gekozen voor de eerste lichting studenten westerse schilderstijl. Na ettelijke malen Noord Korea te hebben afgewezen werd ze uitgewisseld naar Nederland. 
Zo komt het dat haar schaduw tot hier reikt. En tot ver over mij…

groot chineesje
wees mijn oog, maak mij vrij
dochter van de vijand van het volk
de grootste sprong voorwaarts

dat ben jij

“Anne”, klonk het vanuit het kinderzitje achter op de fiets, “Anne, wat wil jij later worden?” En even daarna zei Aye: “Kijk Anne, hoor je die muziek daar hoog van die steiger komen: van die muziek, van dat liedje, wil ik later de zanger worden”.

En nu, na zoveel jaren weet ook ik wat ik wil worden: kijk, zie je dat meisje poseren voor de grote chinees: van dat meisje, van die hemelse verschijning, wil ik later de schilder zijn.

Ada gevonden

ik weet nu dat ze bestaat
en dat onze plaats
wel in ruimte, maar in tijd
nooit samenvallen zal

Ada
daar ben je
Ada 
in asyngamie (7)

want als we haar scherp een scheidslijn trekken
tussen werkelijkheid van beleven
en wat logischerwijze mogelijkerwijze
werkelijkheid zou kunnen zijn

dan loopt die lijn
tussen wat ik me droom
en wat er ooit zal kunnen zijn
tussen Ada en mij

 

Maar er is troost, en die troost is dat het nu duidelijk is dat er klaarblijkelijk een werkelijkheid bestaat, die mooier is, die verder reikt dan ons voorstellingsvermogen vermag. Het bewijs vinden we op straat:

stad, jij geeft mij
zoveel te zien
mooier dan ik bedenken kan

want kijk maar 
wat daar over straat gaat
ik ben zo blij dat het bestaat

stad, jij geeft mij
zoveel te zien:
mijn grens, mijn Groningen

want kijk maar
wie daar over straat gaat
ik ben zo blij dat het bestaat:

mooier dan ik bedenken kan

want

bij toeval passante
die stem en naam ontbeert
niet meer dan een glimp vaak
en toch passeert:

mijn geluk en mijn lijden
mijn troost, mijn verdriet
mijn zoeken, mijn mijden
mijn zwijgen…, dit lied

Dat alles enkel en alleen door te zien. Nabokov zei het zo:

“Het enige geluk in deze wereld ligt in waarnemen, spioneren,kijken, jezelf en anderen gadeslaan. Niets anders zijn dan een groot, enigszins glazig, licht bloeddoorlopen, starend oog”.

Maar dat oog moet gepositioneerd, moet een oog op pootjes zijn, steeds op zoek naar tafereel. Dus dag droom, dag Proust…

ik wil de wereld doortrekken
recht doen aan de droom
niet meer
mijzelf onttrekken

maar door schoonheid te ontfutselen
en weer te geven
in woord, beeld en toon
toon ik mij vrij

neemt de kameleon ieders kleur aan
zo niet ik, ik kleur de wereld
door me niet te schikken naar
maar te schikken met

ik mag de wereld doortrekken
met eigen kleur en geur
niet meer de wereld ontduiken
maar vullen met eigen geluid 

en zacht 
zing ik mij
eindelijk
vrij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


noten:

(1) Niet de mens de mens scheidt geslachtscellen af, maar geslachtscellen scheiden mensen af. Het lijkt alsof de mens geslachtscellen produceert, maar in wezen vormen geslachtscellen lichamen om zich heen en werpen die ook weer af (We spreken van eisprong, maar het is eierstokverlies. We spreken van zaadlozing, maar het balverlies). Het lichaam is een tijdelijk omhulsel dat dient om de geslachtscel te hoeden en op zijn tijd in stelling te brengen.

Steeds weer is de geslachtscel even alleen. En in die korte blote, of beter gezegd, verhuld onomhulde periode (want in lichaamsholten aan het oog ontrokken) gaat de geslachtscel  indien zich daartoe de gelegenheid voordoet, een verband aan met een ongeveer gelijktijdig vrijgekomen lotgenoot van geslachtelijk verschillende huize.

Korte tijd verkeert de geslachtscel dan in een vorm die niet van  andere (door onmiddellijke vermenigvuldiging van het samensmeltingsverband ontstane) lichaamscellen te onderscheiden is. Maar na twee weken duikt temidden van die cellen een voorloper van de geslachtscel alweer op en in een wel heel bijzondere constellatie: Omhult door twee lichamen, te weten het kind en de moeder van het kind.

Binnen negen maanden wordt de moeder definitief afgeworpen en het kan nog tientallen jaren duren voor de geslachtscel, door eisprong of zaadlozing, zich ook van het kind ontdoet. Even is de geslachtscel dan weer onomhuld, maar de geschiedenis herhaalt zich en zo laat de hier geschetste geslachtscelcyclus een spoor van afgeworpen lichamen achter: Aardse tabernakels, die niet de tijdelijke dragers zijn van de geest (want die ontstaat uit hen en gaat met hen ten onder), maar de sterfelijke hoeders van de voortlevende geslachtscel.

Deze gedachtegang kan op twee wijzen worden gestaafd:

1. Het utilitaristisch principe:  Over nut en wezen

Al wat voorwaardescheppend is kan zelf niet wezenlijk zijn, maar verwijst wel wezenlijk naar het wezenlijke: We hoeven enkel het traject van achtereenvolgende diensten (het spoor van “dienstbaar aan”) nauwgezet te volgen om uit te komen bij dat wat wezenlijk is.

In het menselijk lichaam is het een baaierd aan diensten. Aan elk type cel kan een functie worden toegeschreven en altijd zal dat een functie zijn ten dienste van andere cellen in datzelfde lichaam. De enige uitzondering hierop vormt de geslachtscel. De geslachtscel heeft namelijk geen enkele functie voor enig andere cel in het lichaam. Andersom kan men wel zeggen dat iedere cel binnen het lichaam (en daarmee het hele lichaam zelf) dienstbaar is aan de geslachtscel.

Als vervolgens dat wat dienstbaar is als niet wezenlijk ter zijde  wordt geschoven, dringt zich het beeld op van een geslachtscel met een ingenieus en complex, in de loop der tijd gegroeid (want verdienstelijk gebleken) omhulsel, dat als enige en door de geslachtscel zelf georganiseerde taak heeft, deze te koesteren en op zijn tijd in stelling te brengen.

 

(2)  Nog zijn we niet aan het einde van het utiliteitstraject, want ook binnen de geslachtscel wemelt het van de diensten. En als ook hier alle dienende organellen en strukturen worden weggestreept houden we iets over wat wel heel erg op een virus lijkt: Een klein pakketje stof met een ordening die ordeningspotentie heeft: het DNA.

(Onze verwantschap met virussen krijgt zelfs heel familiaire trekken als we bedenken dat een groot deel van het menselijk DNA bestaat uit, al dan niet werkzaam, ooit geïnvadeerd virus-DNA).

En we kunnen nog verder minder ver:

De functionele eenheid van het DNA-molecuul is het gen. De vraag dringt zich op: Wat nu is in navolging van de cel der cellen en het organel der organellen, het gen der genen?

In het licht van het voorgaande is het aanlokkelijk om het gen aan te wijzen dat verantwoordelijk is voor het ontstaan van een nieuw pakket DNA. Noem het het replicatiegen. Zoals de geslachtscel geen functie heeft voor enig andere cel in hetzelfde lichaam, zo heeft het replicatiegen geen functie voor enig ander gen in hetzelfde DNA.

Het probleem is echter dat in een zo ver geëvolueerde vorm, al lang niet meer gesproken kan worden van één gen dat de replicatie regelt. Beter is het te spreken van die genen die een functie hebben in het celcyclus-regulatiesysteem.

Dat zijn de genen die coderen voor de eiwitten die actief zijn bij het repliceren, tezamen met de genen die coderen voor de eiwitten die eerstgenoemde genen activeren en natuurlijk op hun beurt weer de genen die coderen voor de eiwitten die die genen weer activeren en ga zo maar door. Alles wat regelt wordt geregeld, met andere woorden: Alles regelt alles.

Het lijkt een verhaal zonder einde, maar dat is het niet. Ergens bijt de slang in zijn eigen staart: de cel is immers eindig in de ruimte.

Hoe complex het celcyclus-regulatiesysteem ook is (er is nog met geen woord over een even ingenieus remmend systeem gerept), het principe blijft hetzelfde: iets (van louter materie) regelt de replicatie van zichzelf. En dat nu, is het gemeenschappelijke wezen van virus en mens. Verwonderlijk is dat allerminst, omdat in een wereld vol van mogelijkheden van vergaan, opnieuw ontstaan de enige duurzame wijze van zijn kan zijn. Voor dat weten over het wezen hebben we in wezen geen weten nodig.

2. Het etiologisch principe:  De nu-doordat causaliteit

Alles is, doordat het is geworden. Het terugbladeren in die wordingsgeschiedenis kan relevante inzichten bieden over het wezen der dingen. Teruglezend in de geschiedenis van het leven zien we steeds minder complexe vormen. Het kan niet anders of het eencellige ging aan het meercellige vooraf, de aneuralia aan de neuralia, het niet beleven aan de mogelijkheid tot beleven en haploied aan diploied. Wat het eerst is maakt in een niet geïntentioneerd systeem de meeste aanspraak op wezenlijk te zijn. Godzijdank heeft de nu-doordat causaliteit een convergerend karakter. Dat kan van de als-dan causaliteit niet altijd gezegd worden.

(3)  Fylogenie versus ontogenie.

Waar de ontogenie (de ontwikkeling van bevruchting tot volwassen organisme) doortrokken is van in DNA uitgeschreven plan, is de fylogenie (de ontwikkeling van de soorten) gespeend van iedere bedoeling. Het is het verhaal van de evolutie, van gissen en missen. Evolutie is geen principe, het is het ontbreken daarvan.

Toch is het ontogenetische plan langs fylogenetische en dus niet planmatige weg ontstaan. Het is dus een plan zonder plan.

Als we behoefte aan zin hebben, zullen we die zelf moeten maken. Alleen in die zin is de term zingeving zinvol.

(4) Bij “Ada”

“Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze”.
Leo Nicolaj Tolstoi, openingszin Anna Karenina

 “Alle gelukkige gezinnen verschillen min of meer van elkaar; alle ongelukkige zijn min of meer eender”.
Vladimir Nabokov, openingszin Ada

“Somebody loves me. I wonder who”. 
Ballard Macdonald en Buddy DeSylva, openingszin Somebody loves me

“Ik hou van iemand en ik weet ook wie”.
Anne Ruurd, openingszin Op zoek naar Ada

Ada is een van de hoofdpersonen uit de gelijknamige roman van Vladimir Nabokov. Het is een uiterst lucide schoonheid die voor mij, naïeve en argeloze lezer, door de kwaliteiten van Nabokovs pen ogenblikkelijk tot lichtend ideaal werd verheven. 

(5) Ada en haar geliefde (Van) hebben voor het eerst intiem contact tijdens een korte val door de takkenwirwar van de favoriete klimboom van Ada op het landgoed “Ardis”.

(6) Over vrijheid en dissonant:

Wie zoekt, wie werkelijk zoekt, zal niets hoogs, niets verhevens, niets dieps vinden. Het wezen, zo leert ons iedere wordingsgeschiedenis (zoals we in “De kant van het weten” zagen), is plat.

Hoe rijk daarentegen is het (op doelloze wijze geworden) niet-wezenlijke: Het menselijk bewustzijn: Een beleving van een werkelijkheid van beleven, groots en meeslepend.

Het valt als een vorm van vrijheid te beleven dat het bewustzijn (dat niet wij hebben, maar dat ons heeft, immers ons zelfbesef is het product van het bewustzijn en niet andersom) in staat blijkt zichzelf als niet-wezenlijk te kwalificeren. En dat het daarnaast  het wezenlijke (het mogelijkerwijs logischerwijze ware, ofwel de uitkomst van correct wetenschappelijke benadering) van het niet-wezenlijke (de beleving) weet te scheiden in de zin van het besef dat het wezenlijke niets afdoet aan het niet-wezenlijke en het niet-wezenlijke niets aan het wezenlijke (al spreken ze elkander tegen, ze sluiten elkaar niet uit).

Waar de wetenschappelijke weg principieel onvrij is door een ijzeren protocol van logica en methodologie, is ook de beleving in essentie onvrij: Tot niets van wat we mooi vinden, of lief, of lekker, hebben we ooit besloten. Wie zegt vrij te zijn geeft blijk van het tegendeel van wat hij beweert.

De enige glimp van vrijheid is gelegen in de tegenspraak tussen wetenschap en beleven. Een tegenspraak die ons in ieder geval vrijwaardt van onvrije eenduidigheid.

Genoemde vorm van vrijheid is een vorm van vrijheidsbeleving, niet te verwarren met vrijheid van beleven, of het in vrijheid beleven:

Beleven van vrijheid

 Het beleven van vrijheid is een persoonlijk ervaringsfenomeen, dat voor ieder apart, op geheel eigen wijze, aan volstrekt verschillende gewaarwordingen gekoppeld kan zijn: Voor de een bijvoorbeeld aan de consonant (het harmoniëren), voor de ander (Ada en mij) aan de dissonant.

Vrijheid van beleven

 Vrijheid van beleven daarentegen, zoals we al zagen, bestaat eenvoudig niet. De aard van alle beleven overkomt ons. Er is dus ook geen vrijheid van beleven van vrijheid.

In vrijheid beleven

 Wel kunnen we in vrijheid beleven: Ieder die musiceert, schrijft, danst of beeldend vormgeeft zal weten, of zou moeten weten, dat er in ieder mens een wereld van natuurlijke impuls schuilgaat, die zich pas lijkt te kunnen openbaren, wanneer de ruis van valse spanning, hinderlijke stemming, misleidend weten en onnodige reflectie, door eigen toedoen (het doen een laten) wordt geloosd. Uitdrukking geven aan die impuls heet kunst. En al het andere is een kunstje.

Zo kan het beleven van vrijheid bestaan uit het in vrijheid beleven dat vrijheid van beleven niet bestaat.

(7) Asyngamie: Botanica: De onmogelijkheid tot kruizen door verschil in bloeiperiode.